Logo Stichting Westelijk Tuinbouwgebied Haarlem

Luchtfoto WTG met Randweg, omliggende wijken en duinen.

Maria van Vlijmen, Lid van de Vereniging Haerlem en lid werkgroep Groen en Parken. Zij hield deze lezing op de informatiebijeenkomst over het Westelijk Tuinbouwgebied op dinsdag 12 april 2005 in het ABC Architectuurcentrum te Haarlem.

Westelijk Tuinbouwgebied – Cultuurhistorie tussen stad en duinrand

De Vereniging Haerlem houdt zich, behalve met de gebouwde omgeving en gevelstenen, sinds enige jaren, in een aparte werkgroep, ook bezig met de ligging van de stad in haar groene omgeving. De vraag van de Werkgroep WTG om vanavond de cultuur-historische achtergrond van het westelijk Tuinbouwgebied te belichten, sluit goed aan bij die activiteiten, en het is een heel dankbaar onderwerp.

Het WTG is al eeuwenlang het toneel van stedelijke ontwikkelingen. De laatste ingrijpende gebeurtenis was de aanleg van de Randweg, begonnen in 1963, waarbij de oostgrens behoorlijk vast kwam te liggen. Aan de westkant ligt de duinstrook, een beschermd gebied. Ook daar wordt tegenwoordig niet meer aan getornd, maar: binnen het gebied kruipt de verstedelijking verder en dit zet de samenhang onder druk. Het lijkt namelijk een verzameling losse elementen: een manege, een stuk bollenland, een paar vaarten, wat huizen, een tuincentrum, een restje buitenplaats (Duinvliet), een parkeerplaats, een braakliggend stuk land...

Maar ondanks alles is het nog steeds een ‘open gebied’. Dat is fysiek te ervaren als je er bent, bijvoorbeeld wandelend langs het Houtmanpad. Je kijkt naar de duinrand; als je je omdraait, zie je de andere kant: daar ligt de stad, een eeuwenoud cultuur-historisch vergezicht. Dit aantrekkelijke landschap, dit gebied tussen stad en duin, tussen bebouwing en natuur, is een typisch stadsrand-landschap, met een grote rijkdom en een lange geschiedenis. En het mag duidelijk zijn, mijn pleidooi is om dit typische karakter van dat tussengebied, die stadsrand, te behouden. Het is een waardevol gebied, letterlijk ‘vol met waarden’ – en welke zijn dat dan wel?

In 2000 werd het Rapport WTG - een Landschapsbeheersplan, opgesteld in opdracht van de Gemeente Haarlem (samengesteld o.a. door overleg met bewoners + ondernemers + professionals in landschapsbeheer). Dit rapport analyseert een viertal hoofdwaarden:

  1. natuurwaarde
  2. belevingswaarde: je beleeft het als geen stad/geen platteland
  3. gebruikswaarde: er zijn b.v. vier tuindersbedrijven
  4. symbolische waarde: dit is die cultuur-historische waarde, die ik zo direct chronologisch zal schetsen.

Dat gebeurt aan de hand van een kaart uit 1732, die het WTG welliswaar niet compleet, maar voor het grootste deel laat zien. Wat toont deze kaart?

Je ziet het typerende ruitpatroon, gevormd door verschillende oost-west gerichte waterlopen, voor afwatering van het kwelwater uit de duinen, en de noord-zuid gegraven vaarten, zoals de Houtvaart en de Delft. En natuurlijk de diverse oost-west en noord-zuid aangelegde grote en kleinere wegen.

Die al genoemde verzameling ‘losse elementen’, ingepast in dat ruitpatroon, vormt in feite die symbolische waarde van het WTG. Waarom nu dat begrip symbolisch?

Dat komt, omdat die cultuur-historische elementen niet meer letterlijk bestaan, maar wel in de vorm van ‘sporen’. Het gebied vertoont, om het zo eens uit te drukken: archeologie boven de grond. Je vindt er talloze sporen van allerlei aard, nagelaten door het menselijk gebruik van het natuurlijke gebied, als wel overgebleven sporen van die natuur zelf. En juist hierdoor ontstond het huidige cultuurlandschap.

En wat zien we dan voor sporen, m.a.w. waar herinnert dat cultuurlandschap ons dan wel aan? Ten eerste, het indrukwekkende, geologische landschap van duinen en kust, strand en zee. Vervolgens aan het cultuurlandschap waarin de waterlopen uit de duinen economische betekenis kregen en tot bedrijvigheid leidden als zandwinning, blekerijen en brouwerijen. Dan aan het economisch rijke verleden van de stad Haarlem, met de vele buitenplaatsen in de 17e en 18e eeuw. En verder, de stad en streek die ooit groot was door een nationaal product: de bloembollen

  1. Haarlem is een langgerekte stad, ontstaan op de 'oude duinen', de z.g. strandwallen, evenwijdig lopend aan de kust. Deze zandruggen waren een ideale, hoge en droge plaats voor menselijke bewoning, al in de 9e en 10e eeuw. In het westen, tussen die strandwallen en de (jonge) duinen, lag de lager gelegen en vochtige strandvlakte, met veenvorming, en ook in het oosten bevonden zich drassige veengebieden, richting Spaarne en het vroegere, open IJ.

    Die langgerekte zandgronden bepaalden de groei van Haarlem in noord-zuidelijke richting, met als gevolg dat ook het wegenpatroon zich in die lengterichting ontwikkelde.

    Haaks op de hoofdrichting noord-zuid ontstonden oost-west verbindingen, belangrijk voor de lokale betrekkingen en het vervoer van mensen en goederen. Terwijl de noord-zuidwegen voor de hand lagen, je hoefde alleen de hoge gronden richting Leiden en Alkmaar te volgen – werden oost-west wegen pas mogelijk toen de veengebieden werden ingepolderd, zodat men – behalve per schip – ook over de dijken naar Spaarndam en Amsterdam kon gaan.

    De duinstrook zelf werd eeuwenlang als woest en ontoegankelijk beschouwd, het heette ‘de wildernis’. Behalve konijnenjagers durfde er bijna niemand te komen. Naar de kust – dwars door de duinen - bestonden slechts een paar zandwegen. Eén ervan is het nog bestaande Visserspad, van Haarlem via Overveen en Bentveld naar Zandvoort. Dit pad verbond Zandvoort met de rest van de wereld, in dit geval vooral de vismarkt in Haarlem, waar de meeste vis werd verkocht.

    De andere weg lag meer zuidelijk, ter hoogte van Heemstede, nu de Zandvoortselaan, vroeger de Aerdenhoutstraat geheten. Deze weg, die in 1825 beklinkerd werd, was de eerste straatweg naar Zandvoort. In 1921 kwam de tweede grote verbinding, de Zeeweg, tot stand, door vanuit Overveen de duinen te doorgraven naar de kust, en naar ontwerp van tuinarchitect Leonard Springer.

  2. In de middeleeuwen kreeg Haarlem niet alleen stadsrechten (1245) van de graaf van Holland, maar enige tijd later ook rechten over het lage, vlakke gebied in het westen, buiten de stadswallen, tot aan de Houtvaart. De stad mocht o.a. ‘delinquenten’ hier ook vervolgen en arresteren. Uit deze tijd dateert de Zijlweg een oude verbinding, niet dwars door de duinen, maar hij buigt nog steeds af naar Overveen en Bloemendaal. Nu nog is de Zijlweg de grens van het WTG.

    De waterafvoer van de duinen, het z.g. kwelwater liep - en loopt - van nature aan de ene kant naar het strand, en aan de andere kant op, via talloze duinrellen, kleine waterlopen, via de iets lager gelegen duinweiden, naar de veel lager gelegen strandvlakte. Het waren tamelijk rechte, west-oost gerichte stroompjes. Dit schone water leende zich uitstekend voor menselijk gebruik. De duinrellen werden dan ook al snel uitgegraven door mensenhand, tot rechte vaarten.

    Maar pas rond 1600 gaat Haarlem het gebied buiten de stadswallen echt gebruiken en ontstaat allerlei bedrijvigheid. Die menselijke activiteit - je ziet dit duidelijk op oude kaarten (b.v. kaart van Jacob van Deventer 1590) - begint direct buiten de muren en kruipt geleidelijk verder westwaarts. Dit is dus die bedrijvigheid die typisch is voor de ‘stadsrand’. Er ontstaat hier en daar bewoning, en met name veel molenaars en tuinders vestigden zich hier. Vooral langs de Zijlweg stonden veel molens, die hier goed wind vingen. Die duinrellen kwamen goed van pas voor kleine tuinderijen en boerderijtjes, die ten dienste van de stad, groenten, en fruit en duinaardappelen kweekten.

    Ondertussen was een andere tak van nijverheid al in volle gang; het afzanden van de strandwallen door de z.g. zanderijen. Die wallen werden afgegraven met schep en kruiwagen, het zand werd gebracht naar de daartoe gegraven zandvaarten – (de oorsprong hiervan is dus de loop van een duinrel). Voorbeelden zijn de Jan Gijzenvaart en in Heemstede de nog zo geheten Zandvaart. Het zand werd dan per schuit naar Amsterdam vervoerd. Zo werden de grachtengordels in de 17e eeuw aangelegd met Haarlems zand. De zandhandel was dus een belangrijke economische factor. De aanleg en bouw van het landgoed en buitenhuis Elswout (ca. 1680, genoemd naar de vochtminnende elzenbomen die men op de lagere delen aanplantte, om het terrein droger te maken) werd gefinancierd door de verkoop van zand.

  3. De 17e en 18e eeuwse buitenplaatsen waren de volgende invloedrijke factor in het WTG. Hierdoor kwamen er ook weer wegen bij, zoals de Pijlslaan en de Munterslaan. Vaart en Duin en Schoonoord zijn verdwenen, van Duinvliet resteert het wandelbos, Elswout is er nog, maar allemaal waren deel van een lint van landgoederen van Beverwijk tot Heemstede, gunstig gelegen langs de binnenduinrand, want beschermd tegen de westenwind. Ook de buitenplaatsen vormden een soort ‘industrie’ voor het gebied. Bewoond door een rijke clientèle, met een ruim bestedingspatroon, die als werkgever veel personeel aantrok: dienst- en kindermeisjes, tuinlieden, koetsiers en stallenjongens. De aanleg van de Leidsevaart – in gebruik in 1657 en toen een echte verkeersader – veroorzaakte weer een stevige noord-zuidlijn in het ruitpatroon van het WTG.

  4. De bloembollenteelt was de volgende bedrijvigheid, die kleinschalig begon in de 17e eeuw. De door de zanderijen achtergelaten grond bleek heel geschikt voor de teelt ervan. In 19e eeuw groeide de bollenteelt grootschalig uit en bloembollen werden een nationaal exportartikel. Denk aan familiebedrijven als Bijvoet en Krelage, aan de bollenveiling in de Krelagehal (Leidsevaart, waar nu de autobedrijf Brinkmann zit). Hier komt de naam ‘Haarlem Bloemenstad’ vandaan, de Vereniging van Bloembollenhandelaren had vanaf ca. 1850 zijn zetel in Haarlem. De bollenteelt voegde ook weer wat vaartjes toe aan het ruitpatroon.

De Brouwersvaart kan uitstekend model staan voor het toenemende gebruik van de stadsrand. Hij laat zelfstandig de achtereenvolgende cultuur-historische veranderingen van het hele WTG zien (in telegramstijl):

  1. begint als duinrel, werd rond 1600 vergraven tot zanderijvaart; werd hierdoor in 16e en 17e eeuw Rampenvaart genoemd (naar burgemeesters Pieter en Dirck Ramp, jarenlang grote exploitanten van de zanderijen)

  2. omdat de mensen behoefte hadden aan schoon duinwater, werd de kolk aan de duinvoet vergroot door verder uitgraven, tot de huidige Brouwerskolk

  3. in de 16e eeuw en 17e eeuw lagen tientallen blekerijen aan weerskanten van de vaart, die volop water gebruikten (linnengoed uitgespreid op grasvelden, werd met water besprenkeld; de werking van de zon op de natte textiel bleekte het wasgoed)

  4. bierbrouwerijen haalden gelijktijdig steeds meer mate water uit de Brouwersvaart – en klaagden bij het stadsbestuur over de watervervuiling door de blekerijen! Het stadsbestuur gaf tot slot voorrang aan de brouwers, de grootste economische pijler en verbood blekerijen in de directe nabijheid van de vaart, die daardoor Brouwersvaart is gaan heten

  5. in de 19e eeuw: vervoer per boot naar het einde van de vaart (bij de Hospesbrug), hier overstappen op de Jan Plezier, een groot rijtuig voor een groep mensen, voor een heerlijk dagje ‘Kraantje Lek’

  6. speelt ook een rol in de bloembollenteelt: bollenvelden aan weerskanten, waar vroeger de bleekvelden waren. Was een belangrijke verbinding voor het vervoer van mensen en goederen. De bewoners van Schoonoord b.v. aan het Houtmanpad – het tuinhuis van deze buitenplaats staat er nog – waren ondernemers als De Neufville, Crevenna en Bijvoet, die bollenkwekerijen en bollenexportbedrijven dreven.

Wat geldt voor ‘de Brouwersvaart’ geldt voor het hele WTG. Zo groeide eeuwenlang, deels in samenhang met de stad en de duinstrook, het kleinschalige ruitpatroon van het WTG. En dit patroon bood de structuur voor nieuwe bebouwing en stadsuitbreidingen, zoals het Ramplaankwartier en de wijk Oosterduin, in de jaren 30 van de 20e eeuw. Voor de aanleg moesten toen vele bollenvelden en tuinderijen wijken. Dit cultuurlandschap van de stadsrand bestaat in feite uit allerlei ‘kamers’, gevuld door een mengeling van menselijke activiteiten, afgewisseld met hier en daar het met rust laten van de natuur.

Die invulling valt tegenwoordig in drie hoofddelen uiteen:

  1. ten zuiden van de Marcelisvaart nog vrij open en grootschalig, stukken bollenland, met een duidelijke relatie met de duinrand met Duinvliet en Elswout

  2. tussen Marcelisvaart en de Vlaamseweg: grote en kleinere tuinbouw- en plantenbedrijven, droogbloemen bijvoorbeeld, met woningen en opstallen en stukjes open grond met bloementeelt

  3. ten zuiden van de Brouwersvaart: een vrij versnipperd grondgebruik, volkstuinen, paardenweitjes, hier en daar bewoning, een wandelpad met zwanen en eendjes

En hoewel het gebied uit allerlei stukken en stukjes bestaat, kan je vrijwel overal uitkijken; de zichtlijnen bieden visuele verbinding en overbruggen het WTG, tussen de duinen en bosranden aan de ene kant, en de stad met de Bavotoren er bovenuit aan de andere kant. Dit gebied tussen duin en stad met zijn unieke en rijke karakter zou op grond van de geschetste cultuurhistorische elementen als zodanig in stand moeten blijven. Mogelijke nieuwe activiteiten moeten bescheiden zijn en zich hieraan aanpassen, en niet andersom.