Logo Stichting Westelijk Tuinbouwgebied Haarlem

Koeien in weiland met de Bavo op de achtergrond.

Wim Vogel, neerlandicus en publicist
Hij sprak op de informatiebijeenkomst over het Westelijk Tuinbouwgebied op dinsdag 12 april 2005 in het ABC Architectuurcentrum te Haarlem en bewerkte zijn tekst ten behoeve van de uitgave “Binnenduinrand, de tuin van Haarlem”.
Haarlem, juni 2005

Wandelen door het Westelijk Tuinbouwgebied

of: weg met de coniferen

Eind jaren veertig, begin jaren vijftig van de vorige eeuw logeerde ik een enkele keer bij mijn opa en oma aan de Zijlweg in Overveen. Als je vanuit Haarlem de door de Duitsers veroorzaakte ruïnes na het Triniteitslyceum voorbij was, liep je langs de kwekerij van Van Dijk en in het eerste kleine huisje links woonden zij.

Voor het huisje liep een brede sloot het land in, richting Brouwersvaart. Achter het huisje lagen grote schuren vol bergen steenkool waar zwarte ooms zakken vulden en die per vrachtauto vervoerden naar de klanten. Op de auto was een reclamebord bevestigd. Op de voorkant zat een treurige, rillerige man naast een kachel die weigerde, op de achterkant lachte de man breeduit en zag je gewoon de hitte van de kachel spatten. De tekst op de voorkant luidde: ‘Hij niet!’, op de achterkant: ‘Hij wel!. Hij stookt kolen van Vogel.’ Mijn grootvader was kolenboer.

In het jaarboek van de Vereniging Haerlem 1954 publiceerde Mej. A.C.W.Rijnierse haar Overveense herinneringen. Zij schreef die in 1946 en ze spreekt over de tijd ‘ruim 65 jaar geleden’, dus over de laatste twintig jaren van de negentiende eeuw. Over het huisje van mijn grootouders schrijft ze: ‘Links kom ik aan een gedeelte van den Zijlweg, waaraan een breede sloot is, welke uitmondt in de Brouwersvaart. Op dit punt, dat met het oude huisje nu nòg intact is, woonde Schipper Vogel, die beurtschipper was op Amsterdam. Wekelijks voer hij heen en weer; dat was destijds de eenige verbinding voor Overveen met Amsterdam om goederen mede te geven.’ Mijn grootvader was dus beurtschipper en ik stel mij voor dat gegoede Amsterdamse families van zijn diensten gebruik maakten om in het voorjaar van de warme Amsterdamse grachten te verkassen naar hun buitenplaatsen in Overveen en terug natuurlijk. Het oude huisje aan de Zijlweg is vandaag de dag deerlijk toegetakeld en onherkenbaar uitgebreid en gemoderniseerd. Maar eind jaren veertig stond ik er aan het hek, zag over de weg de tram naar Overveen rijden en speelde achter het huisje op de eindeloze velden vol groente en bloembollen.

In 1970 werd ik leraar Nederlands aan het Triniteitslyceum, Zijlweg 199, ‘post Overveen’ moest je daar om de een of andere reden achter vermelden, Vanuit mijn lokaal op de eerste verdieping van de nieuwbouw, haaks op de Westelijke Randweg, zag ik het huisje van mijn grootouders en in mijn lokaal zaten de Bijvoeten, de Groendijken, de Koelemeijers, de Roozens en de Van Kessels, nazaten van befaamde Overveense bollenboeren en tuinders.

Soms als ik geen zin had les te geven, nam ik een klas mee naar buiten voor een kleine excursie, zoals ik dat dan maar noemde. Stak de Zijlweg over en bereikte via de Hyacintenlaan en het viaduct onder de Randweg het zwarte pad langs de Brouwersvaart. Zeker in de jaren zeventig liep je daar nog echt tussen de tuinderijen en de bollenvelden. En altijd hoorde je er het geblaf van de honden in het asiel, ‘gevestigd aan een landelijk weggetje aan de rand van de stad. De lucht van pis en van pens walmde ons tegemoet toen we naar binnen gingen. Aan het einde van de gang was een gazen deur met daarachter een ruimte vol getraliede hokken, noteert Renate Dorrestein in Een hart van steen.Langs de kerk in Overveen en via de Zijlweg zag je de school dan al weer liggen. Het rondje was binnen een lesuur van vijftig minuten precies te doen. Even buiten zijn, even weg uit de sleur die lesgeven toch onvermijdelijk met zich meebrengt.

Vanuit mijn huis in Haarlem-Zuid fietste ik naar school. Meestal over de Schouwtjesbrug, de van Oosten de Bruynstraat in om via de Westergracht na de spoorwegovergang rechtsaf te slaan. Daar lagen toen nog de velden van Dames, hun huis stond er nog. In het voorjaar natuurlijk de bloemen maar langzaam maar zeker werden die verdreven door sla, spinazie en andere groenten. Vaak gingen de eerste plantjes al begin maart de grond in. Maar Dames maakte plaats voor een nieuw wijkje, de bollen verdwenen en in plaats van sla en spinazie kwam er een kerk, een brandweerkazerne en natuurlijk opnieuw huizen, flats, straten en pleinen. Zelfs het Triniteitslyceum verdween.

In de jaren negentig verzamelde ik materiaal voor mijn Literaire wandelgids van Haarlem die in 1995 verscheen. Vanzelfsprekend trof ik bij die zoektocht naar literatuur over Haarlem ook teksten en fragmenten aan, gesitueerd in wat nu het Westelijk Tuinbouwgebied wordt genoemd. Zo schreef Jacob Israël de Haan (1881-1924) in een van zijn Fijne Fragmenten:

De landen rondom Haarlem zijn afwisselend van hoogte en van grondsoorten, dus worden zij ook op afwisselende wijze bebouwd. In de lente zijn wellicht de bloemvelden het mooist; zij maken geheele buurten bont en blauw. Het bont bestaat uit rood, geel en wit. Het blauw is van witachtig tot kobaltpaars. Blauw bloeien hyacinthen. Geel van crocussen en kobalt van hyacinthen zijn twee mooie kleuren, die heel mooi naast elkander staan.

Ik weet van avonden in de bloemenbuurt van Haarlem in de lente, die mooier waren dan de mooiste morgens van mijne jeugd. En ik weet nu ogenblikken van herinnering, die mooier zijn dan iedere werkelijkheid. Want de paarse en de gele herinneringen van bloemen zijn mooier dan paarse en gele bloemen.

Rond de vorige eeuwwisseling wandelde de later vermaarde Haarlemse vogelkenner Jan P. Strijbos vrijwel wekelijks met zijn vader in dit zelfde gebied. Op een van die wandelingen, langs de Houtvaart ontmoetten zij de vader van Frederik van Eeden, de oude heer F.W.van Eeden, auteur van onder andere Onkruid, botanische wandelingen door Kennermerland.

Mijn vader stond dan langdurig met hem te praten, soms over kunst, maar meestal over planten en bloemen. Mij vaak veel te lang, want ik kon de gesprekken niet volgen en nog minder begrijpen. Ik stond steeds maar aan de panden van vader’s jas te trekken en trachtte hem mee te tronen. Maar op een keer gebeurde er iets, waardoor ik onder de indruk kwam. Meneer Van Eeden ontdekte plotseling een slang, die zich door het gras in de richting van de sloot bewoog en greep deze tot mijn grote schrik vast. Hij verzekerde mij echter dat het een ringslang was en dus geheel ongevaarlijk. Daarop verzamelde ik al mijn moed om het kille slangenlichaam aan te raken, eventjes maar. Als kind beleef je zo’n gebeurtenis als een avontuur.

Renate Stoute herinnert zich haar jeugd in haar roman Waarom ik geen bloemenmeisjes werd (1998):

Ik trok mijn laarsjes aan, stond op en veegde m’n broek af. Ik had geen idee van wat ik ging doen. Onversaagd doormarcheren, bijvoorbeeld naar Overveen en daar een ‘koeienpaadje’ langs de ‘boerenslootjes’ nemen? Tijdens strenge winters kon je lange tochten maken over het ijs dat op de slootjes lag. Je zag de omgeving zoals je ‘m anders nooit zag’

Een moderne wandelaar is buurtbewoner en romancier Bartho Kriek. Uit zijn roman Het ijzeren heden (1998) blijkt dat natuur en inrichting van het landschap de afgelopen honderd jaar dramatisch zijn aangetast, een proces dat onverminderd doorgaat.

Het bos houdt op bij het kerkenpad (dat maken ze steeds breder, en steeds meer bromfietsers rijden er straffeloos over) dat bedekt is met een laag schelpengruis, zodat je je soms op een waddeneiland waant. Links ligt het landgoed (uitgebaat door een restauranthouder met dollartekens in zijn ogen, en heb je die gigantische nieuwe parkeerplaats al gezien waarvoor ze zomaar aan het kappen zijn geslagen, zonder vergunning? Kraaien en kauwen beloeren je vanaf paaltjes langs de slootjes weerzijde. Ik zie een kauw de rug van een bruine koe ontdoen van wat voor hem kennelijk eetbaar is.

Halverwege dit pad, waarvan het schelpengruis vervangen is door zielloos asfalt met gaten, heb je een fraai zicht op de stad. Twee kerken, mooie luchten, groene velden en wat jammer dat die velden rechts meer en meer ontsierd worden door allerlei onterechte opstallen, tennishallen, kassen en werkplaatsen. Buurtbewoner Harry Prenen had het ooit over ‘Planologen met goud in hun bek en stront in hun ogen’, en Bartho Kriek schrijft:

En hetzelfde is aan de andere kant, daar, gebeurd met die tennishallen, die zogenaamde bollenschuren zijn: reisjes naar Indonesië, jazeker! Nieuwe auto’s! Onderhandse betalingen!

Recht voor me bevinden zich kerk en kroeg, aloude kompanen. Achter de kerk ligt het tennispark. Rijen vlaggen wapperen daar die, ik erken het, een beetje detoneren tussen het groen. Hoewel, als je ervan houdt… vroeger was daar een manege gevestigd (maar die hebben we lekker weg gekregen, zeiden ze bij de gemeente, Albert, want daar hebben de omwonenden zogenaamd last van. En de lichtmasten die er staan hadden er nooit mogen komen maar kwamen er toch, via corruptie, maar bewijs het maar eens…)

En ook in het werk van Louis Ferron, sinds enkele jaren bewoner van het Ramplaankwartier, is het niet de romantiek van het groen die overheerst, maar de woede over wat er in het gebied feitelijk allemaal gebeurt. Zijn hoofdpersoon uit Viva Suburbia (1998) heeft zo zijn eigen visie op de wijk:

Maak je nu eindelijk eens druk om de dingen die er werkelijk toe doen. Opdat die hufters van de INTRATUIN niet al ’s morgens vroeg om vijf uur hun kabouters beginnen uit te laden. Opdat de achtste plaag van Egypte, die van de zondvloed aan jack Russells, niet ook de boorden van het Ramplaankwartier overspoelt. Opdat niet alle openbare groen bekotst, bezeken en bescheten raakt. Opdat er geen ‘bypass’ door de buurt gelegd zal worden om het verkeer over de Zandvoortselaan en de Zeeweg te ontlasten. Opdat de oudjes van het om de hoek gelegen bejaardentehuis je niet voortdurend van de sokken rijden met hun rolprotheses en je niet uit je middagslaapje houden met hun gebitten die luid kletterend op de klinkers lazeren. Ja, vooral die oudjes zijn me een doorn in het oog. En ik ga in de wijkraad zitten om mijn stem tegen ze te verheffen. Dit is een buurt voor de aanstormende generatie, voor de ’putters’ en ‘downers’, de tapijtreinigers en jonge starters.

Kijk, zo kennen we Ferron weer.

Wonen in een bollenschuur

In 1993 publiceerde Marianne Andriessen in Beschreven Bladen, huisorgaan van het Haarlemse genootschap Het Beschreven Blad, haar herinneringen aan de jaren die zij in de jaren vijftig, midden in het Westelijk Tuinbouwgebied, woonde in de grote, zwartgeteerde houten bollenschuur aan de Marcelisvaart.

Kwam men vanaf het koeienpaadje het pad af, komt men eerst voorbij, teruggelegen, de boerderij van Jan Bart Bos in het “Zwarte Gat”, dan ga je een kwakel over, zo’n hoog bruggetje, met kippestokjes, waaronder de boten van de tuinders opgeladen met bollen of groenten konden varen. Stond je bovenop die kwakel had je een overzicht op de tuinen en overtuinen van de Cornetten en de Lootsen. Geraniums en allerlei kleuren, rood – paars – licht- en donkerrose, het vlamde tegen elkaar op, niet te geloven, daarachter ridderspoor licht- en donkerblauwe – witte, hetgeen ook een opvlammen ten gevolge had, heel grote fuchsia’s, gele en rode keizerskronen. Ab had duiven en bemestte zijn geraniums met de uitwerpselen van deze vogels. Nooit heb ik zulke stevige, gezonde planten gezien. (…)

Van die kwakel af en liep je door dan kwam je langs vier oude tegen elkaar geleunde huisjes. In het eerste woonde Jantje V. (altijd Jantje), leraar tekenen op een technische school en heeft aardige houtgravures gemaakt van de vaart. Op nummer 5 (meen ik) Cornet, die zijn naam geen eer aandeed door violen te bouwen. Daarnaast kwam het atelier van Ab Loots, kunstschilder, vervolgens zijn woonhuis. Zijn vrouw heeft prachtige borduursels gemaakt. Dan een hele tijd weer wat vaart + slootje, en het eindigt met de bollenschuur. De vaart loopt nog door tot aan de Randweg. Het pad heette een notweg = noodweg te zijn. Is iets met recht van overpad. Hebben wij nooit last van gehad. In een van de huisjes heeft Chris Lebeau gewoond. De tuinders zagen ons met verholen gramschap komen.

Marianne legt in het tuinbouwgebied haar eigen tuintje aan:

Een stukje tuin had ik afgebakend voor kruiden. We hebben heel wat uurtjes aan de voorkant van de schuur, opzij of aan die oostkant, in die L-vorm doorgebracht. Het blijkt dat een tuin aan het noord-oosten best gedijen kan. Van de tuinders leerden we het verschil tussen een bats en een graaf. En wat een platte drietander was. En dat we een hark zo moesten neerzetten dat niemand op de tenen kon trappen. Hoe we moesten spitten. Wat de beste schoffel was. Ik keek niet op de klok van de Bavo hoe laat het was, maar zag aan de voortgang die ze al spittend maakten en het zand donkerder kleurde, of ik moest opschieten of niet.

Machines waren toen nog niet aanwezig. Na het koppen (de bloemen kregen wij) en het uitgraven van de bollen werden door deze uitstekende vakmensen spinazie, Bloemendaalse gele (een soort kool), sla, andijvie geplant en dat zodanig dat tussen de andijvie alvast sla-plantjes gezet werden of omgekeerd. Altijd gezanik na het weekend. Over de bezoekers, die in de velden gelopen zouden hebben. Piet, witheet, kwam dan vloekend aankloppen. Roepend: krijg de klere. Toen ik hem eens vroeg wat of dat betekende eigenlijk, zei hij met een kleur: ach, iets over cholera en zei het daarna nooit meer,

Heel wat jaartjes later is hij een wasserette begonnen. De oude Kramers is niet zo lang geleden gestorven, blind geworden en Gerrit, daarvan zei de oude: Ach, op ieder potje past wel een deksel!

Vele jaren kende ik het Tuinbouwgebied eigenlijk alleen van de buitenkant. Je fietst erdoor, vooral erlangs, je kijk ernaar, maar eerst in 1999 ben ik lopend het gebied ingegaan, op zoek naar de oude bollenschuur van Marianne en Nico Andriessen. In Beschreven Bladen van juni 1999 schrijf ik:

Wie bijna vijftig jaren later Marianne achterna loopt, zou kunnen denken dat er niet zo heel veel veranderd is. Natuurlijk, het onafgebroken gebrom van vliegtuigen is irritant, Maar op die middag, begin juni 1999, dat ik daar liep, woei er een mooie westenwind door het riet en die overstemde in ieder geval het zoveel zwaardere geronk van de Randweg. Een mooi plekje. Rechts nog steeds die vaart met aan de overkant daarvan drie bruine paarden in een lekker, groen-gelig weitje. Ver in het oosten de twee Bavo-kerken, rechts een leegstaand huis, oud, vervallen maar mooi verkrot. Daarnaast een ruime, eenvoudige boerenwoning met vier ramen, acht roodgroene luiken, twee dakkapellen, twee schoorstenen en heel veel kraaien. Op de voorgrond een onduidelijke mengelmoes van struikgewas, kassen, huisjes en bouwsels.

Als ik linksaf loop, sta ik plotseling voor een geweldige hal. Draglines, zandauto’s, bergen stenen: hier wordt een heuse parkeerplaats aangelegd voor tientallen auto’s. Ik moet denken aan wat misschien de mooiste roman van Jan Siebelink is De herfst zal schitterend zijn waarin onder meer de jarenlange strijd beschreven wordt van een tuindersfamilie tegen het oprukkend proletendom dat schijt heeft aan regels en bepalingen en gewoon een gigantisch zwembad bouwt in wat eens een arcadische en idyllische omgeving was. Hier is, vrees ik, iets soortgelijks gebeurd.

Achter de immense hal, opnieuw parkeerplaatsen en enorme kassen waarin caravans en boten groeien (mag dat allemaal zo maar in Haarlem in een gebied dat de gemeente zo graag groen en landelijk wil houden??), een rotonde die op last van de politie en brandweer vrijgelaten dient te worden, een Herman A.Brockplein. Het bordje onthult dat we hier te maken hebben met een “Tennisser 9-2-1937’: een raadselachtige mededeling.

Links van de rotonde doemt hij op: ‘Groot – leeg –holle ramen – luiken – hout – bruin geteerd – zonder enige emotie – log en toch vriendelijk’ (Marianne Andriessen). Hij staat er nog steeds, weliswaar wat weggedrukt door al die illegale (?) bouwsels maar dit is zonder twijfel de loods die Marianne met haar man Nico in de jaren vijftig enige tijd bewoonde. Er omheen een geweldige rotzooi. De loods zelf ziet er onttakeld uit. De planken zijn nu zwart geteerd, hier en daar hangt er eentje los, scheef weggezakt. Een regenpijp begint nog wel aan een goot naar houdt halverwege de houten muur plotseling op. Aan de oostkant, richting stad, een huisdeur met een bordje, nummer 11. Gewoond wordt er niet meer in. Sommige ramen zijn dichtgetimmerd. Een bollenloods is woonhuis, is opslagruimte geworden.

Voor de loods loopt de Marcelisvaart. Als je naar het zuiden en westen kijkt, is de idylle ongestoord. Op het land wordt gewerkt, gewoon op de knieën. Een kikker springt weg. Een haan, een paar kippen. Lage, wat onduidelijke huisjes, weggewerkt in het groen. Tegen de buitenmuur zinken teiltjes, een kruiwagen naast een regenton. Een oude vrouw vraagt wat ik zoek. Ze spreekt een beschaafd soort aangenaam Nederlands dat zeldzaam wordt. Ik laat de foto’s zien die Marianne ooit in ons huisorgaan heeft afgedrukt. Ze herkent alles meteen. Zelf woont ze hier al veel langer. Natuurlijk weet ik dat ik met mevrouw Loots praat, Marianne noemt haar in haar artikel. Mevrouw Loots is nu vierennegentig. Ze wil hier nooit meer weg. Ze woont hier heerlijk, zegt ze. Afgezien natuurlijk van die tennishal waarvoor ze overigens ettelijke malen op het stadhuis is geweest. Zonder resultaat. Haar man, de kunstenaar Ab Loots, overleed in 1974. Of ik wel weet dat ook Pim Koot hier nog gewoond heeft? Daar zou ze nog mee gaan trouwen maar in 1995 was hij zomaar dood.

Voorjaar 2005

Mei 2005 loop ik opnieuw langs de Marcelisvaart het tuinbouwgebied in. Midden in dat gebied, rondom de tennishal, tel ik meer dan tweehonderd auto’s. Niet alle parkeerplaatsen zijn bezet. De bollenschuur ziet er opgeknapt uit. Het is nu onmogelijk de kassen in te kijken. De meeste ramen zijn afgedekt en anders staan er wel coniferen die inkijk tegen gaan en die tegelijkertijd alles wat groener en vriendelijker moeten maken. Waar je ook kijkt, overal coniferen, een nieuwe ramp voor het tuinbouwgebied: het oogt groen, het lijkt vriendelijk maar het ziet er niet uit, is grote nep en versluiert de feitelijke aanrandingen. Ergens worden, natuurlijk achter coniferen, auto’s te koop aangeboden.

Ooit was dit gebied een strandvlakte waarop in later eeuwen bomen groeiden. Toen die onderstoven en toen de duinen beplant werden, werden de grond en het heldere duinwater gebruikt voor de blekerijen en de Haarlemse brouwerijen. De bloembollencultuur kwam daar in de loop van de achttiende en negentiende eeuw voor in de plaats, aangevuld met de tuinbouw in de twintigste eeuw. In diezelfde eeuw slokte woningbouw grote stukken land op waarna in de laatste vijftig jaar zelfs het resterende deel van het Tuinbouwgebeid verkracht wordt door allerlei bouwsels en ontwikkelingen die het geheel zo slordig maken dat je geneigd bent het allemaal maar op te geven. Maar lezen we tot slot wat Jacob Israël de Haan honderd jaar geleden schreef:

Ten Westen van Haarlem ligt een landschap van dalende diepten en stijgende duintoppen. Duinen zijn wit van zand en warm van de zon wanneer de zomer in het duinenland gekomen is. Van hooge toppen kan men geheel Haarlem zien van streek tot streek. Dikwijls is de lucht met den zomer vol van gouden, dunnen damp, fijner dan waterdamp. Dat gebeurt, wanneer wolken geen ijzergrijs water regenen, maar de zon sneeuwt wit-goud licht. Ik heb Haarlem lief, want het is eene heilige stad. Wit en gouddampend licht is hare kroon van heerlijkheid.

Dat landschap dient ten koste van alles bewaard en goed beheerd te worden!